
december
2005
Advies over het
Mobiel cultureel erfgoed
tussen monument en museum
Samenvatting
Er zijn
goede redenen om beleid op het terrein van mobiel cultureel erfgoed te
formuleren, meent de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur. Er zijn twee
invalshoeken om dat beleid vorm te geven, de invalshoek van monumentenzorg en
de invalshoek van museaal beleid. De motie-Hulman uit het jaar 2000 (bijlage 1)
kiest voor een monumentale invalshoek, de Rotterdamse Raad voor Kunst en
Cultuur bepleit een museale beleidsvisie. Een sluitende wettelijke bescherming
van mobiel cultureel erfgoed lijkt op gemeentelijk niveau juridisch niet goed
mogelijk en ook het toezicht op de uitvoering van monumentenbeleid is een zware
taak door de noodzakelijke opbouw van een nieuw stelsel van vergunningen en een
controleapparaat.
De
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur raadt de gemeente af om een eigen
register in het leven te roepen. De opstelling van een register wekt grote
verwachtingen over een actieve inbreng van de gemeente en zou een
onoverzienbare financiële last in de richting van de gemeente leggen. Beter is
het om uit te gaan van museale registers. Met het formuleren van museaal beleid
bestaat in Rotterdam veel ervaring. Musea zijn altijd al nauw betrokken geweest
bij de ontwikkeling van de collectie Rotterdam. Het behoort tot de kerntaak van
musea om te verwerven, te bewaren, kennis te verzamelen, te beheren en te
ontsluiten. Musea zijn ook gewend om selectiecriteria te ontwikkelen om uit een
veelheid van objecten de relevante voorwerpen te kiezen en te bewaren. Zeker nu
op landelijk niveau criteria zijn ontwikkeld voor de beoordeling van mobiel
erfgoed, het zgn. ’Waardestellend kader’ van het Instituut Collectie Nederland,
moet het goed mogelijk zijn om in Rotterdam tot een verantwoorde keuze te komen
van wat voor de geschiedenis van deze stad het behouden waard is. Groot belang
wordt gehecht aan de vorming van ensembles van roerend en onroerend erfgoed en
aan het levend houden, het laten functioneren van gebruiksklare voorwerpen.
De
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur adviseert om bij de uitwerking van het
beleid samen te werken met twee koppels van twee met name genoemde
instellingen: het Maritiem Museum Rotterdam en het Havenmuseum voor wat betreft
de water- en havengebonden voorwerpen, het Historisch Museum Rotterdam en de
Stichting RoMeO voor wat betreft de publieke transportmiddelen en eventueel
ander rollend materieel. In twee bijlagen bij het advies wordt ingegaan op de
actuele situatie van het Havenmuseum en RoMeO en worden voorstellen gedaan voor
directe gemeentelijke ondersteuning van deze instellingen. Op de vier genoemde
instellingen zijn de uitgangspunten van het gemeentelijk museumbeleid van
toepassing. In beginsel moeten zij tezamen alle museale functies uitvoeren. De
gemeente kan de instellingen ondersteunen met verschillende beleidsinstrumenten
die in het advies verder worden toegelicht.
De
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur adviseert om te komen tot een beperkte
kerncollectie Rotterdams mobiel cultureel erfgoed. Onderhoud en beheer van deze
collectie moet goed worden geregeld en door middel van publiekprivate
samenwerking wordt het behoud van de voorwerpen voor de stad zekergesteld. Een
veel bredere categorie voorwerpen wordt facilitair ondersteund, zo mogelijk via
het Havenmuseum en RoMeO.
Bij het
behoud van mobiel cultureel erfgoed zijn vele particulieren en talloze
vrijwilligers betrokken. Het is van groot belang dat bij de ontwikkeling van
gemeentelijk beleid rekening wordt gehouden met deze betrokkenheid. De inzet
van particulier initiatief moet een kernwaarde zijn in het gemeentelijk beleid
op dit erfgoedterrein.
Inleiding
De wethouder
van Kunstzaken heeft de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur gevraagd om te
adviseren over het door de gemeente te voeren beleid op het terrein van het
mobiel cultureel erfgoed. Hij heeft, als lid van de gemeenteraad een motie
ingediend waarin wordt gevraagd om beleid op dit terrein. De motie is op 13
november 2000 aangenomen, maar beleid is tot op de dag van vandaag nog niet
geformuleerd.
De
afgelopen tijd zijn enkele documenten verschenen waarnaar in dit advies wordt
verwezen.
-
het onderzoeksrapport ’Rollend, varend, rijdend, vliegend,
mobiel
erfgoed in Rotterdam; een stand van zaken’ van de DSP-groep van 16
maart 2004;
-
’Mobiel cultureel erfgoed, notitie over de stand van zaken
en een
voorzet voor het ontwikkelen van beleid’ van november 2005 van de dienst
Kunst en Cultuur van de gemeente Rotterdam;
-
’Een waardestellend kader voor het mobiel erfgoed’ van het
Instituut
Collectie Nederland van 30 juni 2005.
Onder
verwijzing naar deze documenten behoeft hier de voorgeschiedenis van dit advies
niet uitvoerig te worden toegelicht. Ook de definitie van het object van het
voorgestelde beleid lijkt voldoende duidelijk. Het gaat hier niet om roerend
erfgoed in het algemeen. Onder dit brede begrip vallen bijvoorbeeld ook de
voorwerpen uit de gemeentelijke museale collecties, de Erasmuscollectie van de
Bibliotheek Rotterdam en de archiefbescheiden van het Gemeentearchief Rotterdam.
In het onderhavige advies gaat het om objecten die gerelateerd zijn aan de
industriële geschiedenis van de stad en die met mobiliteit te maken hebben.
Kort gezegd: transportmiddelen. De titel van het DSP-rapport is in dit verband
veelzeggend: ’Rollend, varend, rijdend, vliegend’.
Het
beleid van de gemeente Rotterdam zou zich kunnen concentreren op wat voor het
verklaren van de geschiedenis van de stad van belang is. De zorg voor andere
objecten kunnen we gevoeglijk aan de landelijke overheid overlaten. Dat
betekent vooral dat we ons hier kunnen concentreren op water- en
havengerelateerde objecten. Voorts moeten we denken aan publieke
transportmiddelen: trein, tram, bus en metro, voor zover uniek voor Rotterdam.
In beginsel kunnen we particuliere vervoermiddelen zoals auto’s, motorfietsen,
fietsen en dergelijke buiten beschouwing laten, tenzij de fabrikant in
Rotterdam was gevestigd. We behoeven evenmin aandacht te besteden aan
luchttransportmiddelen (tenzij in verband met het vroegere vliegveld
Waalhaven).
De
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur bepleit het voorgestelde beleid te
beperken tot industriële objecten. Pre-industriële voorwerpen zijn weinig
specifiek voor de stad, juist de opkomst van de industrialisatie en de
ontwikkeling van de haven vanaf midden negentiende eeuw
kenmerken Rotterdam.
In dit
advies behoeven we evenmin diep in te gaan op de redenen om mobiel cultureel
erfgoed te behouden. Wij kunnen ons vinden in de samenvatting van het
gemeentelijk beleid die in de notitie van de dienst Kunst en Cultuur is
opgenomen en waarin verwezen wordt naar de uitgangspunten van het gemeentelijk
cultuurbeleid voor de periode 2005 – 2008. De redenen om mobiel erfgoed te
behouden zijn in principe niet anders dan de redenen om ander erfgoed te
bewaren, zoals monumenten, archeologische voorwerpen, archieven en kunst. We
geven het daarom slechts in een beknopte formulering weer. Cultureel erfgoed
biedt mensen kennis van hun eigen geschiedenis en cultuur, het laat zien waar
we vandaan komen. Erfgoed geeft mede vorm en inhoud aan sociale identiteit.
Erfgoed is vaak gewoon mooi, een lust voor oog en oor. Het draagt bij aan de
geestelijke rijkdom van een samenleving. Mobiel cultureel erfgoed heeft
daarnaast een hoge cultuurtoeristische attractiewaarde, het is goed bruikbaar
in een beleveniscultuur.
Monument
of museum
De
motie Hulman vraagt twee zaken te bewerkstelligen:
-
dat roerende erfgoederen dezelfde monumentale status
kunnen krijgen
als onroerende goederen met alle consequenties van dien;
-
dat deze roerende erfgoederen voor het publiek
toegankelijk blijven of
worden gemaakt.
De
bescherming van onroerende erfgoederen op grond van de Monumentenwet geschiedt
door het opnemen van deze voorwerpen in een landelijk register. Opneming in het
register beschermt het monument tegen aantasting door de eigenaar. Ook is soms
subsidie te verkrijgen voor de restauratie van een pand.
De
gemeente Rotterdam zou roerend cultureel erfgoed bescherming kunnen bieden door
een gemeentelijke verordening vast te stellen en daarin het model van de
Monumentenwet over te nemen. Op grond van deze verordening zou het de eigenaar
van een beschermd object kunnen worden verboden om het object te vervreemden,
het buiten de grenzen van stad of land te brengen, het te wijzigen zonder
toestemming van de gemeente. Ook kan een verordening de eigenaar verplichten
het object in goede staat van onderhoud te houden en het toegankelijk te maken
of te houden voor het publiek.
De
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur beveelt aan om, als het om mobiel
erfgoed gaat, niet voor een analoge toepassing van de beschermingsconstructie
van onroerend erfgoed te kiezen, om juridische en om praktische redenen. Het is
allereerst de vraag of de Nederlandse rechter deze inbreuk op het
eigendomsrecht van een particulier op grond van een verordening van een lagere
overheid acceptabel acht. Er bestaat een reële kans dat een dergelijke
verordening wordt vernietigd wegens strijd met de wet, omdat deze buiten de
grenzen van de gemeentelijke huishouding treedt en de eigenaar van een roerend
goed verplichtingen oplegt die veel verder gaan dan in landelijke wetgeving is
vastgelegd.
Voorts
moet bedacht worden dat een vergunningsstelsel de instandhouding van een
kostbaar apparaat vergt. Juist door het mobiele karakter van dit erfgoed is
controle uiterst ingewikkeld en moeizaam. Verhoudingsgewijs is het toezicht op
de uitvoering van de Monumentenwet eenvoudig. Het gaat in het laatste geval
immers uitsluitend om onroerende goederen, dus om registergoederen waarvan de
eigendomssituatie uit het kadaster blijkt. Eigendoms- en bezitsverhoudingen van
roerende goederen zijn veel minder toegankelijk en controleerbaar. Voorts kan
het vergunningssysteem van onroerend goed gekoppeld worden aan de verlening van
bouwvergunningen en is derhalve relatief eenvoudig in het bestuursapparaat
onder te brengen. Roerend erfgoed vereist een geheel nieuw stelsel van
vergunningen met bijbehorend controle-apparaat.
Alleen
de infrastructuur waarop of waarin mobiel erfgoed zich beweegt kan tot de categorie
van de monumenten en beschermde stadsgezichten worden gerekend: wegen, bruggen,
viaducten, dijken, rivieren en kanalen, vliegvelden en havens. Mobiel cultureel
erfgoed zelf behoort naar zijn aard tot de sector musea en niet tot die van de
monumenten. De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur adviseert het mobiel
cultureel erfgoed te beschouwen als onderdeel van de Collectie Rotterdam en
primair beleid te ontwikkelen vanuit museaal perspectief. Hierbij kan enerzijds
goed worden aangesloten bij het gemeentelijk museumbeleid zoals dat al vele
decennia lang vorm heeft gekregen; anderzijds moet nieuw beleid worden
ontwikkeld omdat mobiel cultureel erfgoed door zijn specifieke karakter afwijkt
van de gebruikelijke museale voorwerpen.
Het
eigen karakter van mobiel cultureel erfgoed ligt vooral in de beheerssituatie
en de problemen die daaruit voortvloeien. Het eigendom van deze objecten ligt
bijna altijd in handen van particulieren of groepjes particulieren verenigd in
een stichting of vereniging. Het beheer is meestal gericht op het in bedrijf
houden van het transportmiddel. Het schip moet weer gaan varen, de tram weer
gaan rijden. Particuliere eigenaren en beheersorganisaties hebben veelal geen
museale pretenties, zijn dan ook niet geregistreerd als erkend museum en hebben
daar ook geen behoefte aan, ze concentreren zich op het behoud van de objecten
en op het actieve gebruik ten eigen nutte of voor een breder publiek. In het
bijzonder de kennisfunctie ontbreekt. Zelden is er specifiek collectiebeleid.
De educatieve functie ontbreekt of is beperkt aanwezig.
Daartegenover
bestaat bij de musea een grote huiver om zelf mobiel cultureel erfgoed te
verzamelen en te beheren. Het museum is niet goed opgewassen tegen de
specifieke eisen die het beheer van dergelijke voorwerpen stelt en al helemaal
niet heeft men de enthousiaste vrijwilligers in huis waaraan het beheer
feitelijk moet worden toevertrouwd. Op een enkele uitzondering na hebben musea
er geen behoefte aan om transportmiddelen in beweging te houden. Liever een
model of een goede foto dan een echt schip met alle zorgen van dien. Wel heeft
het museum vaak alle kennis over deze voorwerpen in huis en kan men de
collectie wetenschappelijk ontsluiten. Ook is er kennis over marketing en
educatie beschikbaar. Samenwerking tussen musea en beheerders van mobiel
cultureel erfgoed ligt derhalve voor de hand. Hun activiteiten zijn
complementair en overlappen elkaar weinig.
Register of
waardestellend kader
Musea
zijn gewend om te verwerven, te bewaren en tegenwoordig ook om af te stoten.
Musea hebben een collectiebeleid. Dat beleid ligt meestal vast in een
collectienota. In Nederland bestaat er een grote mate van overeenstemming over
de eisen die aan een goed collectiebeleid worden gesteld. Vakgenoten kunnen
goed beoordelen of een beleid aan die eisen voldoet en tussen die vakgenoten
bestaat vaak grote overeenstemming over de te hanteren criteria voor de
beoordeling of voorwerpen voor opname in de collectie in aanmerking komen of
eventueel afgestoten moeten worden. Dat moet ook wel, want de grotere musea
hebben al gauw meer dan tienduizenden, zo niet honderdduizenden voorwerpen in
de collectie. Zonder goede selectiecriteria valt een collectie niet te beheren.
Het hebben van een collectiebeleidsplan is dan ook een voorwaarde om als museum
erkend te worden door het Nederlands Museumregister.
De
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur raadt de gemeente dringend af om een
eigen register in het leven te roepen. Het opnemen van roerend erfgoed in een
gemeentelijk (publiekrechtelijk) register schept verregaande verwachtingen over
een actieve inbreng van de gemeente in behoud en beheer. Omdat het al gauw om
honderden, zo niet duizenden voorwerpen gaat die veelal een complexe beheers-
en behoudsproblematiek hebben wordt hier een onoverzienbare financiële last
richting gemeente gelegd. De Raad bepleit opnieuw om vanuit museaal perspectief
naar deze problematiek te kijken. Waardering en selectie van dit type erfgoed
is in wezen collectiebeleid en behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de
instellingen zelf. De overheid behoeft niet zelf aan selectiebeleid te doen.
Het opnemen van erfgoed in een gewoon museumregister is immers niet
verplichtend, wekt geen bijzondere verwachtingen van gemeentelijke
ondersteuning. Alle musea, particulier of niet, houden registers bij van hun
collectie, eenvoudigweg omdat ze anders niet als museum erkend worden.
Het is
niet nodig dat de museale instellingen in Rotterdam zelf criteria gaan
opstellen voor de beoordeling van mobiel erfgoed. Recent heeft het Instituut
Collectie Nederland in overleg met deskundigen en belanghebbenden uit deze
wereld een lijst met criteria opgesteld, het ’Waardestellend kader voor het
mobiel erfgoed’. De Staatssecretaris van Cultuur heeft het in juni jl. aan de
provincies en gemeenten aangeboden met het verzoek dit kader als
beoordelingsinstrument over te nemen. Het ligt voor de hand dat de drie
overheidsniveaus hetzelfde waardestellend kader hanteren. Dat gebeurt bij
andere sectoren ook: een door het rijk gesubsidieerd maritiem museum hanteert
hetzelfde (professionele) beoordelingskader als een door de gemeente
gesubsidieerd maritiem museum. Hetgeen niet betekent dat de collecties op
elkaar lijken. In tegendeel, onderlinge afspraken en locale inkleuring leiden
nu juist tot relevante verschillen tussen musea onderling. De Rotterdamse Raad
voor Kunst en Cultuur meent, dat het door het Instituut Collectie Nederland
opgestelde waardestellend kader bruikbaar is in de selectie van voorwerpen,
behorend tot de Collectie Rotterdam.
Erkende instellingen
Voor
musea is in Nederland een basisregistratie ontwikkeld. Wil een museum erkend
worden, dan dient het aan bepaalde minimumeisen te voldoen. Een erkend museum
heeft niet door erkenning alleen al recht op overheidssubsidie. Wel worden
erkende musea ondersteund door de provinciaal museumconsulent en worden ze door
de collega-instellingen serieus genomen. Ook vrijwilligersmusea kunnen erkend
worden en zijn feitelijk ook wel erkend. De gemeente Rotterdam zou, wat het
onderdeel mobiel cultureel erfgoed van de Collectie Rotterdam betreft,
uitsluitend zaken moeten doen met erkende musea. Deze musea hebben een
selectiebeleid en hanteren daarbij het hiervoor besproken waardestellend kader.
De Rotterdamse
Raad voor Kunst en Cultuur is van mening dat alle kunst- en cultuurinstellingen
op de een of andere wijze aan kwaliteitszorg moeten doen, ook
vrijwilligersorganisaties. Dat geldt derhalve ook voor de instellingen die
mobiel erfgoed beheren, professioneel of vrijwillig. Alleen die instellingen
die continu proces van kwaliteitsverbetering kennen zouden voor
gemeentelijke ondersteuning –op welke wijze dan ook- in aanmerking moeten
komen. De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur neemt deze instellingen op in
zijn ondersteuningsprogramma kwaliteitszorg (zie de nota Op eigen kracht, pag. 11). Het INK-project verbetering
collectiebeheer waarmee de vier te verzelfstandigen gemeentelijke musea zijn
begonnen zou dan ook op termijn uitgebreid moeten worden met de erkende
beheerders van mobiele collecties.
“Er is
een grote mate van versnippering van de activiteiten en er is weinig of
nauwelijks samenwerking, afstemming en kennisdeling in Rotterdam”, aldus de
probleemstellende notitie van de dienst Kunst en Cultuur. De Rotterdamse Raad
voor Kunst en Cultuur deelt deze mening en stelt voor om het gemeentelijk
beleid zo veel mogelijk te concentreren op vier instellingen. Deze vier
instellingen worden door middel van onder andere het subsidiebeleid ’aangestuurd’
als het gaat om de uitvoering van gemeentelijk mobiel erfgoedbeleid. Tezamen
voeren deze instellingen alle museale functies uit. Twee instellingen in de
sector water en haven, twee instellingen in de sector transport.
Tussen
het Maritiem Museum Rotterdam en het Havenmuseum bestaan goede contacten. Er
zijn wel eens momenten geweest dat de verhouding wat moeizaam was, maar dat is
verleden tijd. Het Maritiem Museum wil niet zelf mobiel cultureel erfgoed
beheren, maar wil wel de kennisfunctie op dit terrein uitoefenen. Dit museum
zal het Havenmuseum ondersteunen bij het opstellen van selectiecriteria en
collectieplan. Het Maritiem Museum Rotterdam heeft een grote wetenschappelijke
kennis in huis. Het Havenmuseum daarentegen is vooral sterk in beheer en faciliteiten.
Het beheert verschillende Rotterdamse havens voor historische schepen en een
sleephelling, het beheert een eigen kerncollectie, het heeft nauwe contacten
met en faciliteert vele particuliere eigenaren van schepen, het organiseert
grote groepen vrijwilligers en het draagt actief bij aan het aantrekkelijk
maken van het centrumgebied Waterstad. Samen met het Maritiem Museum ontwikkelt
het publieksgerichte acties.
Het
Havenmuseum is een erkend museum. Toch kan het nog niet alle museale functies
naar behoren uitvoeren. Wat de kennis en collectiefunctie betreft moet het
terugvallen op het naastgelegen Maritiem Museum. De publieksfunctie (ontvangst
en informatie over de voorwerpen) kan verbeterd worden. De educatieve functie
kan meer tot ontwikkeling worden gebracht. Zoals bekend is de exploitatie van
het Havenmuseum moeilijk, met name door de omvang van de problematiek van
wegvallende gesubsidieerde arbeidsplaatsen. Ondanks deze knelpunten is de
combinatie Havenmuseum/Maritiem Museum een sterke, veelbelovende partner in de
uitvoering van gemeentelijk beleid op het terrein van het mobiel erfgoed.
Een
dergelijke combinatie is nog niet aanwezig op het terrein van de
transportmiddelen. De Stichting RoMeO is vooral geconcentreerd op het in
bedrijf houden van oude trams. Het Openbaar Vervoer Museum (gevestigd in het
metrostation Oostplein) is bij deze stichting aangesloten. RoMeO is geen erkend
museum, heeft geen duidelijke kennisfunctie op dit terrein. Deze stichting zou
wellicht kunnen uitgroeien tot een museale voorziening. Een combinatie met het
Historisch Museum Rotterdam lijkt daarbij een aantrekkelijke optie. Op termijn
kan met deze twee instellingen een stevige combinatie ontstaan waarin alle
museale functies met betrekking tot publieke transportmiddelen bijeen zijn
gebracht.
Beleidsinstrumenten
Als we
mobiel erfgoed bezien vanuit museaal perspectief, dan geldt hiervoor wat voor
alle musea geldt. Niet alleen wat je hebt, maar ook wat je er mee doet is voor
het overheidsbeleid van belang.
Musea
hebben over het algemeen verschillende functies:
-
verzamelen, uitbreiden, afstoten,
-
beheren van een collectie, conservering en restauratie,
-
ontsluiten, toegankelijk maken van de voorwerpen,
documenteren,
-
presenteren, tentoonstellen, in werking zetten,
-
educatie, groepsontvangsten, vriendenvereniging,
-
marketing.
De
motie-Hulman vraagt om het voor het publiek toegankelijk maken of houden van
erfgoed en geeft daarmee een zekere prioriteit aan de functies waarop
gemeentelijke ondersteuning zich zou moeten richten. Maar ook andere
beleidsaccenten kunnen een rol spelen. Zo zou het zinvol kunnen zijn om te
kiezen voor die museale functies die ook ander gemeentelijk beleid
ondersteunen, bijvoorbeeld beleid op educatief, toeristisch, economisch of
ruimtelijk vlak. Werkend mobiel erfgoed leidt tot een vorm van
openluchtmusealisering en kan een positief effect hebben op de belevingswaarde
van bepaalde stadsdelen, kan dagtoerisme uitlokken of educatieve schoolbezoeken
stimuleren. Activiteiten als verzamelen, beheren, restaureren en documenteren
behoren in dat geval niet direct tot de gemeentelijke prioriteiten en komen ten
laste van private middelen.
Toch
zou het niet verstandig zijn om deze laatste functies principieel van
ondersteuning uit te sluiten. Als het gemeentelijk beleid gericht is op de
bescherming van erfgoed dat voor de geschiedenis van Rotterdam van belang is,
dan kan de gemeente zich niet afzijdig houden van de bewaar- en behoudfunctie.
Dat behoeft niet uitsluitend in subsidies voor verwerving en restauratie
vertaald te worden. Ook het ter beschikking stellen van terreinen, havens,
loodsen, remises en dergelijke is al een bijdrage aan de behoudfunctie van de
museale instellingen. Of de ondersteuning en scholing van vrijwilligers in
behoudstaken. Zinvol is ook het koppelen van stagiaires van verschillende
opleidingen aan erfgoedbeheer. Als voorbeeld van zo’n koppeling wordt hier
verwezen naar bijlage 5 bij dit advies, een casusbeschrijving van de wijze
waarop de Hogeschool Rotterdam en het Albedacollege in het project Droogdok RDM
verbonden worden aan museale functies op het terrein van mobiel erfgoed.
De
Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur onderscheidt ten principale vier
mogelijke beleidsinstrumenten voor ondersteuning op het terrein van mobiel
cultureel erfgoed:
-
het verzamelen, beheren en toegankelijk maken van kennis;
-
het beschikbaar stellen van faciliteiten: terreinen,
gebouwen en
infrastructuur;
-
het verstrekken van financiële steun in de exploitatie van
mobiel
erfgoed;
-
bijdragen aan de financiering van aankoop en vooral van
restauratie van
voorwerpen.
De
kennisfunctie kan het beste worden ondergebracht bij bestaande museale
instellingen als Maritiem Museum Rotterdam en Historisch Museum Rotterdam. Hier
zit bij uitstek de deskundigheid voor deze functie. Het ter beschikking stellen
van faciliteiten onder gunstige economische voorwaarden, faciliteiten als
havenbekkens, kaden, infrastructuur als rails en wegen, remises,
tentoonstellingsruimten, werkplaatsen en kantoren kan geschieden door
gemeentelijke diensten of door museale instellingen als Havenmuseum en RoMeO.
Deze laatste twee instellingen zouden bij uitstek in staat moeten zijn om
namens de gemeente faciliteiten te beheren en ter beschikking te stellen aan
een groot aantal vooral particuliere eigenaren, vrijwilligers en dergelijke.
Erkende instellingen worden door de gemeente ondersteund door middel van een
exploitatiesubsidie. De methodiek hiervan is bekend, de systematiek is die van
de cultuurplanprocedure, wellicht straks aangevuld met visitatieprocedures. Wat
de financiering van aankoop en restauratie betreft, hier gaat het om het a
fonds perdu bijdragen in de verwervings- en restauratiekosten van objecten die
behouden moeten blijven op grond van hun grote waarde voor de stad. Hiervoor
kan een fonds worden ingesteld waaruit ook het behoud van ander voor Rotterdam
van belang zijnd erfgoed wordt ondersteund.
In
bijlagen 2 en 3 bij dit advies wordt de huidige situatie van de Stichting RoMeO
en van het Havenmuseum beschreven. De tekst over het Havenmuseum is een update
van eerdere stukken die door de Rotterdamse Kunststichting zijn uitgebracht.
(Het advies over het Maritiem Buitenmuseum van maart 2002 en het
cultuurplanadvies van april 2004). Uit deze bijlagen blijkt met welke problemen
beide organisaties momenteel kampen. In deze tekst vindt de gemeente
aanknopingspunten als het gaat om de vraag op welke wijze de instellingen
daadwerkelijk moeten worden gesteund. De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur
adviseert, indien het gaat om de ontwikkeling van beleid op het terrein van
mobiel erfgoed, met beide instellingen op korte termijn gesprekken te openen
over hun acute noden. Met name de aanstelling van een vrijwilligerscoördinator
is bij beide instellingen urgent. Geadviseerd wordt de instellingen hiertoe op
zeer korte termijn in staat te stellen.
Op de
situatie van het Maritiem Museum Rotterdam en het Historisch Museum Rotterdam
wordt in dit advies niet verder ingegaan. Aangenomen wordt dat in de
turbulentie van het verzelfstandigingsproces, tussen beide instellingen en de
gemeente voldoende contacten zijn geweest om tot gemeentelijk beleid te komen.
Kernwaarde
De
wereld van het mobiele erfgoed is bijzonder. Op werkelijk zeer grote schaal
stoppen enthousiaste particulieren geld en tijd in het behoud van historische
voorwerpen. Dat is van grote maatschappelijke betekenis. Hier worden voorwerpen
in stand gehouden en getoond, niet op grond van het budgetmechanisme van de
overheid of het marktmechanisme van het bedrijfsleven, maar krachtens
inspanning van particulieren, vrijwilligers. De gemeente dient er zeer op
bedacht te zijn dat deze wereld van het particulier initiatief beschermd en
gekoesterd wordt. Welke beleidsinstrumenten de overheid ook ontwikkelt, altijd
zal deze kernwaarde behouden moeten blijven. De uitdaging voor particulieren om
de voorwerpen zelf te beheren en te exploiteren is belangrijk genoeg om in
stand te worden gehouden. Het idee mag niet ontstaan dat de overheid de zorg
voor het erfgoed nu wel zal overnemen. De vele vrijwilligers dienen gestimuleerd
te worden om hun inspanning te blijven verrichten. Hun motivatie mag niet door
gemeentelijke steun ondermijnd worden en zij dienen voldoende stimulans te
ontvangen om ook buiten de gemeente steun te vinden voor hun werkzaamheden. Op
dit punt is grote zorgvuldigheid geboden bij de verdere uitwerking van het
gemeentelijke beleidsinstrumentarium.
Kerncollectie Rotterdam
Het
beheren van mobiel erfgoed is een zware taak. Vergeleken met museaal erfgoed
dat onder ideale bewaarcondities in depot of op zaal in een museum bewaard
wordt, stelt het behoud van mobiel erfgoed zeer zware eisen. Met name het
beheer van schepen die door natuurlijke invloeden bijzonder onderhoudsgevoelig
zijn, is financieel en personeel een zware taak. Het is derhalve raadzaam om
een beperkt aantal voorwerpen tot de kerncollectie Rotterdam te rekenen. Het is
deze kerncollectie waarop alle functies uit het brede museale beleid van
toepassing zijn: verwerving, behoud en beheer, documentatie,
exploitatie/presentatie, educatie en marketing.
Objecten
uit de kerncollectie Rotterdam behoeven, om behouden te blijven niet
uitsluitend op het grondgebied van Rotterdam bewaard te worden. Via de
Stichting RoMeO bijvoorbeeld rijden op het terrein van het Nederlands
Openluchtmuseum in Arnhem oude trams van de RET, als zodanig goed herkenbaar.
Dag in dag uit rijden deze onverwoestbare tramstellen, waarvan de oudste uit
1929 dateert, grote groepen bezoekers over het uitgestrekte terrein van het
museum. Tot een zorgvuldig erfgoedbeleid behoort ook een liberaal
bruikleenverkeer tussen musea onderling.
Erfgoedbeleid
brengt altijd het maken van keuzes met zich mee, erfgoedbeleid is primair
vaststellen van wat meer en wat minder waardevol is. Dat is soms niet
eenvoudig, het is soms hard en zelfs onaardig, want we zouden wel heel veel uit
ons verleden willen bewaren. In bijna ieder mens schuilt een verzamelaar en
veel historische voorwerpen oefenen een grote aantrekkingskracht op ons uit. De
gemeentelijke overheid moet echter op dit punt behoorlijk onbuigzaam zijn en
scherpe selectieprocessen eisen. Het waardestellend kader van het Instituut
Collectie Nederland zal gehanteerd worden als het gaat om het bepalen van de
samenstelling van de kerncollectie Rotterdam. Alleen wat daarin als van grote
waarde voor Rotterdam wordt beschreven kan onderdeel zijn van de kerncollectie.
Voorwerpen
die tot de kerncollectie behoren kunnen eigendom zijn van de gemeente (met name
van gemeentelijke diensten), van gesubsidieerde musea en van particuliere
rechtspersonen of natuurlijke personen. Indien de gemeente deze rechtspersonen
en natuurlijke personen direct of indirect ondersteunt in beheer- en
behoudstaken, dan dient de gemeente medezeggenschap te hebben over het object.
Voorkomen moet worden dat het object na directe geldelijke ondersteuning door
de gemeente ongecontroleerd buiten de stadsgrenzen wordt gebracht.
Eigendomsoverdracht aan de gemeente of een museum is niet altijd raadzaam,
publiekrechtelijke regelgeving lijkt op lokaal niveau niet goed mogelijk om
eigendomsrechten in te perken, reden waarom hier bepleit wordt om vormen van
publiekprivate samenwerking te ontwikkelen. In een contract tussen gemeente en
eigenaar dient te worden vastgelegd op welke wijze het object voor de stad
behouden blijft en toegankelijk wordt gemaakt voor een breed publiek. De
gemeente kan daarbij ook zelf aangeven op welke wijze zij voor publieke
doeleinden gebruik wenst te maken van het object.
De
collectie mobiel cultureel erfgoed Rotterdam is echter veel breder dan de
kerncollectie. Hiertoe behoren ook vele objecten die door particulieren zijn
verworven en opgeknapt en die al dan niet toegankelijk zijn voor een breder
publiek. Op deze categorie objecten is ondersteunend beleid van de gemeente van
toepassing. Door middel van allerlei faciliteiten wordt de particuliere
eigenaar ondersteund. De gemeente neemt echter niet de verantwoordelijkheid op
zich en lang niet alle museale functies zijn op deze objecten van toepassing.
De
branche-organisaties uit de wereld van het mobiel erfgoed zijn al enige tijd
bezig met het opstellen van landelijke registers. Die activiteit wordt
gestimuleerd door het Ministerie van OCenW. Met het register van het varend
erfgoed is men al een eind gevorderd, de andere drie zijn nog in een vroege
fase van ontwikkeling. De registers hebben in principe geen andere status dan
dat zij de opvatting van deskundigen uit de eigen branche weergeven van wat de
moeite waard is om te behouden. De registers hebben geen rechtskracht richting
overheid. Toch lijkt het verstandig deze landelijke registers op den duur ook
te gebruiken voor de selectie van objecten die voor facilitaire ondersteuning
door of namens de gemeente in aanmerking komen.
Stedelijke ensembles
Een
aantrekkelijke vorm van gemeentelijk beleid is om ensembles te vormen van
mobiel en onroerend erfgoed. Het bij elkaar brengen van verschillende objecten
in een min of meer natuurlijk ogende omgeving spreekt tot de verbeelding: oude
schepen, havenkranen en een sleephelling naast het Witte Huis of stoomtreinen
op een spoorwegemplacement met alles erop of eraan hebben een grotere
belevingswaarde dan objecten in een ‘bedrijfsvreemde’ context. Dit spreekt
temeer, nu mobiel cultureel erfgoed vooral opvalt door zijn dominerende
gebruiksfunctie. Met mobiel erfgoed halen we de geschiedenis naar het heden
door de voorwerpen werkend, levend te houden. Het zijn geen dode, doelloze
objecten in vitrines, maar levende voorwerpen die een zichtbare functie
vervullen. We zetten de voorwerpen niet vast in een monumentale status, maar
betrekken ze op het heden. Levend mobiel erfgoed komt het best tot haar recht
in een inspirerende omgeving. Op dit punt kan gemeentelijk monumentenbeleid en
beleid met betrekking tot mobiel erfgoed elkaar in positieve zin beïnvloeden.
In bijlage 4 bij dit advies wordt een voorstel gedaan om na te gaan denken over
de mogelijkheid om mobiel erfgoed te combineren met de ’echte’ werkende haven,
de Rotterdamse haven zoals die nu in werkelijkheid functioneert. Het is daarbij
niet de bedoeling om een discussie uit te lokken over de actuele locatie van
mobiel erfgoed in de stad, wel om een lange-termijnperspectief te formuleren
over de ontwikkeling van een stimulerende omgeving voor de beleving van het
Rotterdamse erfgoed.

Bijlage 1

Bijlage
2
Stichting
RoMeO
RoMeO staat voor Rotterdams Openbaar vervoer Museum en
Exploitatie van Oldtimers. Stichting RoMeO is in 1997 op initiatief van de RET
opgericht met het doel erfgoed van het openbaar vervoer in de regio Rotterdam
te bewaren, renoveren, restaureren, exposeren en exploiteren. De RET wenste
voortaan één overkoepelend aanspreekpunt te hebben voor al zijn museale zaken,
in plaats van de voorheen verschillende gesprekspartners die diverse objecten
beheerden. Deze stichtingen bestaan nog wel, maar zijn nu aangesloten bij RoMeO.
RoMeO maakt onderscheid in museum- en exploitatiematerieel: met dat laatste
voert RoMeO ritten uit.
Een opsomming van de activiteiten van RoMeO:
-
het exploiteren van Lijn 10 gedurende het zomerseizoen met
bekende
historische Rotterdamse
trams;
-
het rijden van vooraf besteld besloten groepsvervoer met
(semi-)historische
trams;
-
onderhoud van historische tramvoertuigen in remise
Hillegersberg;
-
restauratie van museumtrams in een pand aan de Keenstraat;
-
opknappen van bussen in de RET-garage Sluisjesdijk;
-
beheer van een oud metrorijtuig;
-
inzet van exploitatie-inkomsten ten behoeve van
restauratie- en
revisieprojecten, grotendeels
uitbesteed aan de RET (NB RoMeO creëert hiermee als vrijwilligersorganisatie
betaald werk bij een gemeentelijke dienst, c.q. zelfstandige onderneming);
-
museale activiteiten in de remise Nieuwe Binnenweg /
Heemraadsplein
(Trammuseum) en in
metrostation Oostplein (Openbaar Vervoer Museum).
Het hiervoor benodigde personeel bestaat uit 150
vrijwilligers.
Naast de cultuurhistorische activiteiten verleent RoMeO
enkele diensten aan de RET. De RET maakt bijna dagelijks gebruik van trams die
bij RoMeO in beheer zijn voor het wegslepen van gestrand c.q. kapot materieel,
voor besloten bijeenkomsten, voor massavervoer, bij uitval van de metro en bij
sneeuwval. RoMeO is vanwege die functies van onmisbare waarde voor de RET. Vanwege
de voorgenomen verzelfstandiging van de RET in 2006 wordt de Stichting RoMeO
geconfronteerd met een aantal knelpunten en bedreigingen:
-
Na de verzelfstandiging vervallen de museale taken die de
RET sinds de
oprichting in 1927 heeft
uitgeoefend. De RET hoeft niet langer museummaterieel op haar terreinen te
huisvesten. De collectie moet ergens in eigendom worden ondergebracht of gaat
verloren. De vraag is nu wie de eigenaar wordt van het materieel. RoMeO kan de
collectie alleen ‘om niet’ technisch onderhouden zolang er ten minste nog
voldoende vrijwilligers zijn.
-
Het museummaterieel staat gestald in de remise
Hillegersberg. Deze
remise komt waarschijnlijk
op de monumentenlijst en de RET heeft vergevorderde plannen om deze remise op
te heffen. Stichting RoMeO heeft echter dringend ruimte nodig en wil al het
museale materieel graag op deze plaats bijeenbrengen. Hierdoor is het voor de
RET mogelijk andere locaties te ontruimen, zoals het Heemraadsplein en de
Keenstraat. Maar het OBR heeft ook bouwplannen op deze plek. Een alternatief
voor de huisvesting van trams zou op de lange termijn (tien tot twintig jaar)
misschien op het terrein van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM) op
Heijplaat gevonden kunnen worden. De trams kunnen daar over treinrails rijden,
alleen de stroomvoorziening moet geschikt gemaakt worden.
-
RoMeO verdient relatief veel geld met het uitvoeren van
ritten, maar
kan naast onderhoud en revisie
van het materieel onmogelijk ook nog de exploitatie van de remise Hillegersberg
betalen. De jaarkosten voor de huur van de remise overstijgen namelijk de
financiële draagkracht van de stichting. Zelfs wanneer het OBR de remise om
niet ter beschikking stelt zijn de beheerskosten nog te hoog voor RoMeO.
-
Na de verzelfstandiging van de RET moet Lijn 10, die nu
een goede
inkomstenbron vormt voor
RoMeO, worden opgeheven of op een andere manier geëxploiteerd worden. Stichting
RoMeO dient dan de exploitatie voor eigen rekening en risico over te nemen met
een eigen rij- en exploitatievergunning.
-
Verdere uitbreiding van commerciële activiteiten van RoMeO
kan leiden
tot problemen met de
belastingdienst. De betaling van vrijwilligersvergoedingen aan chauffeurs vormt
in dat kader een lastig onderwerp.
-
Voor de coördinatie van de vrijwilligers is tot nog toe
geen personeel
beschikbaar. Dit knelpunt
kan opgelost worden door de aanstelling van één medewerker. Deze coördinator
moet vooral een mogelijk toekomstig probleem voorkomen, namelijk dat er door
gebrek aan coördinatie voor de commerciële activiteiten geen
continuïteitsgarantie afgegeven kan worden. Bij commerciële contracten zoals
bijvoorbeeld met Spido (zie hieronder) verplicht RoMeO zich immers om te allen
tijde trambestuurders en conducteurs te kunnen leveren.
Stichting RoMeO heeft naar aanleiding van deze
ontwikkelingen een aantal initiatieven genomen om de kansen voor de stichting
te vergroten en de continuïteit van de activiteiten veilig te stellen:
-
Met de directie van Spido wordt een combinatiepakket voor
toeristen
samengesteld. Stichting RoMeO
zoekt nieuwe partners om met behulp van trams een versteviging aan te brengen
in de toeristische infrastructuur van Rotterdam. RoMeO kan dit doen door
diverse toeristische attracties letterlijk met elkaar te verbinden. Vrije
trambanen maken de tram tot een ideaal vervoersmiddel voor toeristen en
bezoekers van evenementen. Denk hierbij aan Diergaarde Blijdorp, vanwege het
opheffen van de voormalige lijn 3, maar ook aan de Snerttram, de partytram met
dansvloer en het plan voor een jazztram tijdens het North Sea Jazz Festival. RoMeO
heeft daarnaast een idee voor een nieuw evenement: een ‘historische tramweek’.
Hierover is contact gelegd met Rotterdam Festivals.
In de toekomst ziet RoMeO
mogelijkheden om met stagiaires te werken, maar dat is alleen mogelijk onder de
voorwaarde dat de begeleiding van die stagiaires door anderen verzorgd wordt.
Wellicht zou de RET daarop aangesproken kunnen worden.
RoMeO onderhoudt,
afgezien van gesprekken over een mogelijke fototentoonstelling
over oude trams, nauwelijks contacten met het Historisch
Museum. RoMeO is zich wel bewust van de meerwaarde die
beide organisaties voor
elkaar kunnen hebben. RoMeO ziet een duidelijk onderscheid tussen de taak van
het museum en die van zichzelf. RoMeO heeft vooral technische kennis in huis,
terwijl het museum kennis bezit van de cultuurhistorische waarde en de plaats
van objecten binnen een collectie.
In het geval van RoMeO
is er daarnaast sprake van toeristische en
sentimentele waarde,die
belangrijk is voor de identiteit en de beleving van de stad. Deze aspecten
worden volgens RoMeO nog onvoldoende benut.
Stichting RoMeO maakt deel uit van de initiatiefgroep voor
een themapark over het onderwerp ‘transport’. Onder de werktitel ‘Transport
World Rotterdam’ is in 2003 een idee gepresenteerd voor een themapark over
vervoer, dat gehuisvest zou kunnen worden op het voormalige RDM-terrein.
Vooralsnog kon dit idee niet omgezet worden in een haalbaar plan.
Mogelijk kan de Stichting RoMeO in de toekomst aansluiting
zoeken bij het plan voor een nieuwe opleiding met als thema mobiliteit van de
Hogeschool Rotterdam en het Albeda College op het RDM-terrein. In dat geval zou
RoMeO benut kunnen worden als contextrijke leeromgeving voor deze opleiding.
Aanbevelingen aan de gemeente op de korte termijn
Om de knelpunten van RoMeO te verlichten en de gemeente
optimale kansen te geven ten aanzien van het benutten van de betekenis van het
cultureel erfgoed van de RET ziet de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur de
volgende punten als gewenste inspanningen voor de gemeente.
1 Voor
het voortbestaan en de verdere uitbouw van RoMeO is de
aanstelling van een
vrijwilligerscoördinator op korte termijn noodzakelijk. De Raad is van mening
dat de gemeente de middelen daarvoor beschikbaar zou moeten stellen.
2
Voor het onderbrengen van het materieel dient een
geschikte locatie
gevonden te worden.
3
De RET heeft RoMeO tot ‘maatschappelijke opgave’ benoemd.
Dit moet
alleen
nog geformaliseerd worden zodat ook in de toekomst financiële ondersteuning
gegarandeerd is.
4
Ten aanzien van het eigendom van het materieel moet een
heldere keuze gemaakt worden. Al het
materieel zou na verzelfstandiging van ` de
RET ofwel ondergebracht moeten worden in stichtingen, ofwel
eigendom van de
RET blijven. Op basis van die afweging moet
een exploitatie- en
samenwerkingsregeling ontworpen worden.
5
Voor de registratie- en documentatiefunctie zou
samenwerking met het
Historisch Museum een
goede oplossing zijn.
NB In de erfgoedwereld bestaan, zoals bekend,
verschillende opvattingen over het beheer van collecties. Er zijn twee lijnen:
cultuurhistorici die objecten in hun oorspronkelijke staat willen terugbrengen
en bewaren en betrokkenen die objecten uit het verleden in werkende staat
willen houden. Binnen RoMeO is er nog een andere tramstichting actief in
Rotterdam: de al langer bestaande Tramweg Stichting (1965). Deze stichting
werkt landelijk en heeft een afdeling in Rotterdam. De Tramweg Stichting is een
representant van de ‘preciezen’, die de collectie bij voorkeur in
oorspronkelijke staat willen behouden. RoMeO is meer gericht op het werkend
houden en exploiteren van materiaal.
Bijlage
3
Update
Havenmuseum – december 2005
Het Havenmuseum stelt zich ten doel een collectie
materiële getuigenissen te verwerven en te onderhouden, die de geschiedenis van
haven, scheepvaart en scheepsbouw van Rotterdam representeert en het publiek
daarover te informeren.
Het Havenmuseum is een openluchtmuseum, dat sinds 1968 het
werkend maritiem erfgoed in stand houdt en beeldbepalend aanwezig is in de
stad. Uitgangspunt is het werkend karakter van het museum en het verhaal van de
haven die Rotterdam van 1850 tot 1970 huisvestte.
De ambities van het Havenmuseum lopen uiteen van het
realiseren van een collectiebrede presentatie tot een verdere invulling van de
binnenstedelijke havens. Het Havenmuseum beheert een vooraanstaande collectie
schepen en scheepsonderdelen en beschikt tevens over een in Nederland redelijk
unieke restauratieafdeling.
Het jaarplan 2006 van het Havenmuseum dateert van mei
2005. In dit plan worden de volgende doelen geformuleerd:
- het
verbeteren van de thematische presentatie van de collectie;
- opzetten
en uitbreiden van educatieve projecten en cursussen;
- intensiveren
van de samenwerking met het Maritiem Museum, de
ligplaatshuurders en het
maritiem bedrijfsleven.
Het jaarplan 2006 onderkent de volgende knelpunten:
- de
inkomsten van het Havenmuseum nemen af terwijl de kosten
stijgen;
- de
vraag naar activiteiten stijgt, maar de middelen zijn ontoereikend
om er meer te kunnen aanbieden;
- het
personeelsbestand moet worden afgebouwd in verband met het
verdwijnen van
gesubsidieerde arbeid, waardoor de openingstijden moeten worden beperkt;
- vernieuwingen
en verbeteringen in de presentatie leiden soms tot hogere exploitatielasten. Naast de eenmalige investering in
bijvoorbeeld
het lichtplan brengt dit
plan structureel hogere energie- en onderhoudskosten met zich mee.
Het Havenmuseum heeft in 2005 één directeur, twintig reguliere
medewerkers, dertig gesubsidieerde (ID)medewerkers en 150 vrijwilligers.
Eind 2005 hebben de beoordelingsgesprekken voor de
gesubsidieerde medewerkers plaatsgevonden. Duidelijk is dat vier à vijf
personeelsleden ‘bemiddelbaar’ worden verklaard en het museum zullen gaan
verlaten. De afdelingen techniek/onderhoud en publiek/presentatie verliezen
allebei twee à drie mensen. Dit heeft gevolgen voor het openhouden van het
museum en voor de demonstraties aan het publiek. Voor het openhouden van het
museum zijn in het verleden nooit vrijwilligers ingezet en het museum kan en
wil dat in de toekomst ook niet doen.
Het Havenmuseum heeft de volgende oplossingen gevonden
voor de problemen die voortvloeien uit het verdwijnen van de ID-regeling:
- Het
museum brengt zoveel mogelijk museale objecten onder in
stichtingen of
verenigingen. Deze onderhouden zelf hun object én zorgen voor de benodigde
financiële middelen. Het Havenmuseum heeft contact met de bestuursleden van de
stichtingen die op hun beurt contact onderhouden met de vrijwilligers.
- Deze
vrijwilligers hebben behoefte aan scholing op het gebied van
cultuurhistorisch
inzicht, techniek en presentatie. Die scholing kan door het Havenmuseum worden
georganiseerd in samenwerking met bijvoorbeeld het Erfgoedhuis Zuid-Holland,
Instituut Collectie Nederland of een overkoepelende instantie op het gebied van
mobiel cultureel erfgoed.
- De
financiële administratie zal op vrijwillige basis worden uitgevoerd
door een gepensioneerd
gemeentemedewerker.
- De
aansturing van de afdelingen techniek/onderhoud en
publiek/presentatie
vindt in de toekomst plaats door één persoon. Deze maatregel moet de afdelingen
dichter bij elkaar brengen en waar mogelijk integreren. De onderhoudsafdeling
wordt gevraagd het publiek ook iets over haar werk te vertellen.
- Eind
december 2005 organiseert het museum een congres voor
potentiële particuliere
investeerders.
De gekozen oplossing maakt veel mogelijk, maar vraagt ook
om iets nieuws namelijk het aansturen van de vele vrijwilligersorganisaties.
Een vrijwilligerscoördinator is hiervoor een onontbeerlijke en cruciale
schakel. Zonder zo’n coördinator zal de gekozen oplossing niet werken.
De vrijwilligerscoördinator moet enerzijds de wensen en
behoeften van het museum kennen en anderzijds die van de stichtingen
kanaliseren. De coördinator moet overwicht hebben: hij moet geloofwaardig
overkomen bij vrijwillige erfgoedliefhebbers die hun tijd besteden aan het op
peil brengen en presenteren van de collectieobjecten.
Het Havenmuseum heeft voor de financiering van zo’n
functionaris een aanvraag ingediend bij de Centrumraad die tot en met 2005
middelen verstrekte voor gesubsidieerde arbeid. De aanvraag is afgewezen, omdat
de Centrumraad voor dit doel geen geld meer beschikbaar had.
Voor de langere termijn (2006 en verder) formuleert het
museum de volgende prioriteiten:
- versterking
van de bedrijfsvoering en financiële huishouding door een
nieuwe benadering van de
financiële planning;
- verbetering
van de inrichting, uitstraling, bewegwijzering en
informatieverstrekking.
Hiervoor is een eenmalige investering van
€ 300.000 nodig;
- bouw
van een entreepaviljoen en verbouwing van het kantoor. Hiervoor
is een eenmalige
investering van € 600.000 nodig.
Van dit bedrag van € 900.000 is inmiddels € 650.000
beschikbaar. Het museum hoopt op korte termijn de rest te verwerven, zodat de
verbouwing in de eerste maanden van 2006 kan starten en voor het zomerseizoen
van 2006 gereed is.
Op de langere termijn (2006 en verder) zijn er nieuwe
knelpunten te verwachten:
- invoering
van handhaving van Arbo-normen en risico-inventarisatie
leiden tot hogere
kosten;
- bijscholing
door externe organisaties van vrijwilligers en professioneel
personeel kan niet
plaatsvinden, omdat er geen personeel beschikbaar is om dit te organiseren.
Tegenover de knelpunten wordt tevens een aantal kansen geplaatst:
1 Onderwijs
- Onderwijsinstellingen
richten zich meer en meer op het bieden van
contextrijke
leeromgevingen. Specifieke kennis en kunde ten aanzien van het werkend houden
van de collectie werkend erfgoed kan in de toekomst wellicht aangetrokken en
ontwikkeld worden in samenwerking met Rotterdamse onderwijsinstellingen.
- Er
kunnen stageplaatsen worden ingericht voor vmbo-ers in de richting
techniek en
geschiedenis.
- De
locatie RDM biedt mogelijkheden om stagiaires van de potentiële
nieuwe opleiding mobiliteit
(zie bijlage 2) in de directe omgeving, bijvoorbeeld in een klein dokje, aan
werkend erfgoed van het museum te laten leren en werken.
2 Samenwerking
- De
samenwerking tussen het Havenmuseum en het Maritiem Museum is
sterk verbeterd. Dit
wordt zichtbaar door op elkaar afgestemde openingstijden, een gezamenlijk
aanbod kinderactiviteiten en het beter benutten van elkaars sterke kanten.
Concreet betekent het dat de registratie- en documentatiefunctie van het
Havenmuseum, evenals het collectiebeleid, in de toekomst zullen worden
uitgevoerd door het Maritiem Museum. Het Havenmuseum legt zich nadrukkelijk toe
op het werkend houden en presenteren van de mobiele collectie.
3
Professionalisering
- Door de
inschakeling van een gespecialiseerde vrijwilliger zal de
financiële rapportage
verbeteren.
- Het
Havenmuseum richt zich meer en meer op het aanleveren van een
‘raamwerk’ waarin de
collectiestichtingen kunnen functioneren op het gebied van kennis en kunde
(kenniscentrum) enerzijds en facilitair, in de fysieke buitenruimte anderzijds.
- Er
ontstaan kleine bedrijfjes die specifieke kennis ontwikkelen en
bewaren die nodig is
voor het onderhoud van varend cultureel erfgoed.
4
Taakafbakening
en samenwerking
- Het
Havenmuseum kan aan de Leuvehaven uitsluitend de werkende
haven van het verleden
laten zien. In de context van de locatie is dat niet anders mogelijk én niet
anders wenselijk, omdat op die locatie geen hedendaagse havenactiviteit heeft
plaatsgevonden en dus ook niet gedaan moet worden alsof dat wel zo was.
- Het
Havenmuseum heeft wel een wens om de collectie en de
presentatie meer te
verbinden aan het heden en de toekomst. Met de verbouwing van de loods waarin
nu het kantoor gevestigd is tot een ontvangstruimte kan aan die wens deels
tegemoet gekomen worden.
- Het
Havenmuseum ontwikkelt ideeën om een aantal kenmerkende
havenlocaties in het
Rijnmondgebied cultuurhistorisch met elkaar te verknopen. Onderwerpen als de
visserij in Vlaardingen en de jachtbouw in de omgeving van Dordrecht maken deel
uit van het varend cultureel verleden van het Rijnmondgebied en de rivier. Een
rondvaart langs die verschillende locaties met een goed verhaal kan een nieuwe,
cultuurhistorisch interessante toeristische attractie opleveren.
Op de lange termijn (tien tot twintig jaar) ziet het
museum misschien mogelijkheden voor een werkend wereldhavenmuseum op het
RDM-terrein of in de Waalhaven. Op die locatie kunnen verleden en heden
optimaal aan elkaar gekoppeld worden (zie bijlage 3).
Aanbevelingen
aan de gemeente op de korte termijn
Om de knelpunten van het museum te verlichten en de
gemeente optimale kansen te geven ten aanzien van de betekenis van het varend
cultureel erfgoed voorziet de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur twee
mogelijke inspanningen door de gemeente:
- Voor
het voortbestaan en de verdere uitbouw van het Havenmuseum is
de aanstelling van een
vrijwilligerscoördinator op korte termijn noodzakelijk. De Rotterdamse Raad
voor Kunst en Cultuur is van mening dat de gemeente de middelen daarvoor
beschikbaar zou moeten stellen.
- In overleg
met de Centrumraad dient bekeken te worden of het museum
voor het beheer van de
aanzienlijke buitenruimte en het lichtplan van het museum, dat is gedelegeerd
aan de instelling, op de noemer van de
beleidsprioriteiten van de Centrumraad (schoon, heel en veilig) alsnog een
financiële bijdrage zou kunnen verwerven.
Bijlage
4
Een
idee over ‘wereldhavenerfgoed’
De rest
van de wereld kent Rotterdam vooral vanwege twee ‘identiteiten’: de stad van
het bombardement in mei 1940 en de haven. Na de oorlog groeide de haven in hoog
tempo uit tot de grootste ter wereld, een positie die inmiddels door Sjanghai
is overgenomen.
Het is dan ook opmerkelijk
dat Rotterdam eigenlijk weinig serieuze aandacht besteedt aan deze twee voor de
stad zo belangrijke onderwerpen. In het cultuurplanadvies 2005-2008 vroeg de
voormalige RKS hier al aandacht voor: “Rotterdam besteedt over het algemeen
weinig aandacht aan de gevolgen van het bombardement, terwijl deze meest
invloedrijke gebeurtenis van de vorige eeuw eigenlijk een permanente expositie
in het Historisch Museum waard is." Pas de laatste jaren is het besef van
de wenselijkheid van deze collectieve historische reflectie in Rotterdam
actueel. Het is dus tijd om serieuze stappen te nemen. Het Historisch
Museum zou deze belangwekkende taak op zich kunnen nemen, uiteraard in nauw
overleg met het huidige Oorlogsverzetsmuseum.
Het Johannes Postmuseum in Ridderkerk –of all places–
opende recentelijk een presentatie die het bombardement op Rotterdam van 14 mei
1940 op realistische wijze laat herleven. Een levensechte zeventien minuten
durende videoproductie die op de binnenzijde van de koepel van het gebouw wordt
geprojecteerd, laat zien hoe het centrum van Rotterdam in enkele ogenblikken
veranderde in een inferno.
Voor het verhaal van de
haven geldt eigenlijk hetzelfde. Rotterdam heeft gelukkig het Maritiem Museum Rotterdam
en het Havenmuseum, maar ondanks hun inspanningen kan de stad nog
niet bieden wat eigenlijk wenselijk is: een waardige representatie van hetgeen
de wereldhaven te vertellen had, heeft en zal hebben. TV Rijnmond levert sinds
enige tijd een aansprekende bijdrage aan het verhaal over de haven. Iedere
donderdag zendt Rijnmond het programma ‘Ik ziet de haven al’ uit, waarin vele
fascinerende aspecten van de wereldhaven aan bod komen.
Maar bezoekers van de stad
die geïnteresseerd zijn in de werkende haven
-en dat zijn er nogal
wat– zou nog méér dan al gebeurt de mogelijkheid moeten worden
geboden de schaal en de activiteiten van
de werkende haven in al zijn glorie te beleven. Een ‘werkend’ bezoekerscentrum
van de haven, waarbij niet alleen het verleden, het wereldhavenerfgoed, maar
ook het heden en de toekomst van de werkende haven worden getoond. Een plek
waar je de haven van vroeger en van de toekomst kunt voelen, ruiken, horen en
ervaren. Een attractie van formaat die niet alleen interessant is voor het cu ltureel
bewustzijn van oude en nieuwe Rotterdammers, maar die tevens een nieuwe
toeristische impuls vormt.
Nu de 2e
Maasvlakte binnen enkele jaren een feit is en een deel van het traditionele
havengebied binnen de ring, de Stadshavens, naar verwachting op termijn
gedeeltelijk een andere bestemming krijgt, is het denkbaar een deel van dit
gebied te benutten voor een werkend ‘wereldhaven belevenismuseum’.
Zo’n museum zou enigszins
kunnen lijken op een combinatie van het Maritiem Museum en het Havenmuseum,
maar zou qua schaal en collectie veel groter zijn. De bezoeker moet kennis
kunnen maken met datgene wat de Rotterdamse haven kenmerkt: de schaal. En dat
is bij uitstek mogelijk in de Waalhaven, het grootste havenbekken van de
stad/het land/Europa, waar echte oceaanstomers een ligplaats vinden en waar
traditionele en bijzondere vormen van overslag plaatsvinden.
Het
museum zou een publiekprivate partnershipconstructie kunnen krijgen, waarbij de
stad of het Havenbedrijf in de eerste plaats faciliteert (door het
beschikbaar stellen van grond en collecties) en de Rotterdamse havenbedrijven
gevraagd wordt bijdragen te leveren aan het werkende havenonderdeel. Het is denkbaar
dat de collecties van het Maritiem Museum en het Havenmuseum ingezet worden
voor tentoonstellingen op locatie in het Waalhavengebied; het is zelfs
denkbaar dat het hele maritieme collectiecluster op den duur van de Leuvehaven
naar de Waalhaven verhuist.
Uiteraard
kan ook Spido een belangrijke rol te vervullen in dit verhaal: een bezoek over
water is de meest attractieve mogelijkheid.
Ter inllustratie enkele opvattingen die dit idee
ondersteunen:
1.
Uit Havenplan 2020 van het Havenbedrijf
De herontwikkeling van de Stadshavens begint in de Waalhaven.
In 2020 is dit een gebied waar stedelijke bedrijvigheid (onderwijs,
maakindustrie) hand in hand gaat met specifieke havenactiviteiten, zoals in de
maritieme industrie of het traditioneel stukgoed. In de Waalhaven zijn op
termijn geen activiteiten meer die 24 uur per dag veel geluidsoverlast geven.
Hierdoor verbetert de leefomgeving en ontstaan zelfs kansen voor woningbouw.
Een specifiek gebied is het rivierfront (Sluisjesdijk, RDM-terrein,
Quarantaineterrein). Dit deel van de
Waalhaven is bij uitstek geschikt voor de vestiging van vernieuwende bedrijven
en starters, kennisinstellingen, woningbouw, recreatie en cultuur.
2.
OBR -
projectteam Stad en Haven
De gemeente Rotterdam wil de economische structuur van haven en
regio verstevigen. Dit in combinatie met het scheppen van een aantrekkelijk
woon- en leefmilieu in Rotterdam. Om snel en slagvaardig te kunnen opereren is
het projectteam Stad & Haven opgezet. Dit team buigt zich over projecten die te maken hebben met
Mainport Rotterdam en de stedelijke economie. Zij bepaalt onder meer
de economische waarde van een project, de aanpak en de financiering.
3.
OBR
- afdeling Vrijetijdseconomie
Een
stad waar van alles valt te beleven biedt de bezoeker, bewoner of
ondernemer volop kansen en mogelijkheden. Daarom werkt de gemeente Rotterdam
hard aan een verdere uitbouw van Rotterdam als veelzijdige
vrijetijdsstad. Het beleid kent drie speerpunten: stimulering van het bezoek, ondersteuning van initiatiefrijke ondernemers
en meedenken bij het invullen van stedelijke ontwikkelingslocaties.
In het
kader van te ontwikkelen beleid ten aanzien van creatieve economie kan nog
gezegd worden dat een wereldhavenerfgoed-attractie bijdraagt aan de
gemeentelijke opgave om nieuwe banen te scheppen in deze sectoren. Ook in het
kader van citymarketing en toerisme zou een nieuwe grootschalige attractie als
deze zeer welkom zijn. De belangstelling daarvoor blijkt ondermeer uit de groei
van het aantal excursies in het havengebied.
De Rotterdamse
Raad voor Kunst en Cultuur stelt voor om in 2006 een bijeenkomst te organiseren
met stakeholders (OBR, Stadshavens, Maritiem Museum Rotterdam,
Havenmuseum, R’dam Marketing, etc.) om eens over dit idee te brainstormen en
het OBR te verleiden tot het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek.
Bijlage
5
Casus:
Research, design en manufacturing
De oude werf van de Rotterdamse Droogdok Maatschappij laat
zien hoe Rotterdam zich gedurende de laatste decennia heeft ontwikkeld: een
rijk en imposant verleden en een roemloos einde onder invloed van globale
economische ontwikkelingen. Het terrein ligt midden in het Stadshavensgebied,
op Heijplaat bij de Waalhaven. Het verlaten Droogdok inspireerde twee
Rotterdamse instellingen voor beroepsonderwijs
-Hogeschool Rotterdam en het Albeda College– tot het maken
van grensverleggende plannen. De ontwikkeling sluit aan bij het idee om
monumenten te benutten door er nieuwe economie in te huisvesten. Zij willen in
samenwerking met NV Stadshavens Rotterdam en de Technische Universiteit Delft
het terrein ontwikkelen tot een cluster van innovatieve maakindustrie: voor
bedrijven, kennisinstituten en onderwijsinstellingen in de regio Rijnmond. Met
de genoemde alliantie van bedrijven en kennisinstellingen willen de initiatiefnemers
de RDM nieuw leven inblazen onder het motto: Research, Design en Manufacturing.
Het wordt een gebied waar innovatie de ruimte krijgt. Waar
de kloof tussen onderwijs en bedrijf gedicht wordt. Waar mbo’ers en hbo’ers de
kans krijgen om samen te werken aan inspirerende projecten. Waar design en
manufacturing elkaar aanvullen. Waar bedrijven alleen of gezamenlijk technische
innovaties kunnen realiseren. Waar ambitieuze jonge ondernemers (letterlijk) de
ruimte krijgen hun eigen bedrijf op te zetten. Waar doorstroming vanuit het
beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs vorm krijgt.
De doelstelling van de nieuwe RDM is om via samenwerking
tussen bedrijven en kennisinstellingen een concrete stimulans te zijn voor
nieuwe en bestaande creatieve maakindustrie in Rotterdam. Dit komt neer op het
inzetten van kennis die kan leiden tot lokale bedrijvigheid waar het in eigen
beheer (laten) produceren en leveren van nieuwe producten centraal staat. Het
gaat om fysieke producten, al dan niet in combinatie met bijbehorende diensten.
Een belangrijk organisatorisch uitgangspunt om tot
succesvolle productintroducties te kunnen komen is de noodzaak van
technisch-economische clustering van marktpartijen, bedrijven en instellingen.
Het delen van visie, faciliteiten en projectruimten is essentieel. Dit is in
feite de concretisering van de kenniseconomie op het gebied van nieuwe
technologie. Droogdok RDM kan een uitstekende basis zijn voor snelle
implementatie en marktgerichte aanpassing van (elders) ontwikkelde technologie.
Met deelnemende opleidingen als autotechniek, bouwkunde en
industrieel productontwerpen (Hogeschool Rotterdam) en verspanen, lassen,
elektrotechniek en constructiebankwerk (Albeda College) zal de focus liggen op
de creatieve maakindustrie. Studenten krijgen de kans om in een inspirerende
omgeving aan vernieuwende technische projecten te werken in opdracht van de
bedrijven om hen heen.
Het mes snijdt aan twee kanten. Niet alleen het terrein
van Droogdok RDM wordt voor jongeren aantrekkelijk, ook de aanwezigheid van
innovatieve productiebedrijven is uitdagend en heeft een positieve uitstraling
op andere technische studies. Bovendien leidt de samenwerking tussen mbo, hbo
en universiteiten tot betere onderlinge afstemming en een gemakkelijker
doorstroming. Door de studenten na hun afstuderen een kans te geven hun
technologisch vernieuwende ideeën om te zetten in een eigen onderneming, krijgt
Droogdok RDM tevens de functie van incubator.
Droogdok RDM richt zich in het bijzonder op bedrijven die
actief zijn met Research, Design en Manufacturing op het gebied van duurzame
energie, (auto)mobiliteit, Technology for Care en drijvende bouw. De eerste
stap is het herinrichten van de enorme machinefabriek op het terrein.
Er komt een gemeenschappelijk auditorium, een expositieruimte
en een café-restaurant. Op de begane grond worden werkplaatsen ingericht. Daar
is ook ruimte voor studenten om aan allerlei concrete projecten te werken.
Boven de werkplaatsen hangt een zwevende vloer aan kraanbanen, waarop kantoren,
onderwijsruimten en studio’s zijn gepland. Het omringende terrein rondom de
loods kan gebruikt worden voor grootschalige experimenten, bijvoorbeeld op het
gebied van toepassing van duurzame energie of vernieuwend bouwen op, aan en
onder het water.
De Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur ziet mogelijkheden om de Rotterdamse mobiel-cultureel-erfgoedcluster, met name het Havenmuseum en RoMeO, te koppelen aan Droogdok RDM. Het Havenmuseum en RoMeO kunnen leermogelijkheden bieden van werkend materieel aan studenten en stagiaires van RDM, die stageplaatsen en werkend materieel nodig hebben voor het opdoen van werkervaring. Het Havenmuseum en RoMeO hebben gebrek aan jonge, vakmatig geschoolde vrijwilligers. De opleidingen op RDM leveren deze mensen. Door deze koppeling zouden de onderwijsinstellingen de culturele instellingen kunnen benutten als stageplek, bron voor nieuwe kennis, nieuw personeel en innovatie.